Nieuws

Over het wel of niet mogen slaan van kinderen als deel van de opvoeding zijn de meningen verdeeld. ‘Ik ben geslagen en het is goed met mij gekomen’ is één van de argumenten, die voorstaanders uiten wanneer er gesproken wordt over het slaan van kinderen als middel van discipline bijbrengen.

Men zou hierop de vraag kunnen stellen: ‘Hoe is goed gekomen gedefinieerd?’Betekent het dat je een baan hebt en je in de financiële behoefte van jezelf of je gezin kan voorzien. Of dat je geen crimineel of ‘zichtbare’ sadist bent geworden.

Wat het antwoord ook mogen zijn, het is niet vastgesteld als en welke bijdrage het geslagen zijn tijdens je opvoeding heeft geleid tot het ‘goede’ resultaat. Wat we weten is dat veel kinderen die geslagen zijn tijdens de opvoeding milde tot zeer diepgaande negatieve gevolgen hieraan hebben overgehouden.

Pijn aan het lichaam, variërend van het hebben van blauwe plekken en kneuzingen tot gebroken ribben, zijn enkele van de gevolgen van deze manier van disciplinering. Daarnaast worden kinderen die geslagen worden angstig en onzeker. Wat ook voorkomt is dat deze kinderen agressief, opstandig en gewelddadig gedrag kunnen vertonen.

In hun ontwikkeling naar volwassenheid etaleren sommige van deze kinderen opvallend gedrag. Merkbaar is de onzekerheid die bij hen in hun kinderjaren is opgewekt en zich door de jaren heen heeft genesteld. Een ander kind verwerkt de fysieke (mis)handeling van de jeugdjaren door een muur op te werpen en niemand meer door te laten; zij sluiten zich af.

Wij kunnen die persoon dan ervaren als kil en koud, maar soms ook als zakelijk en/of zelfverzekerd. Ouders verschillen in hun temperament. Ook de redenen waarom en hoe zij kinderen slaan, verschilt.

Wat voor effect het slaan op een kind zal hebben, is niet vooraf te voorzien. Elk kind is anders. De ene is gehoorzaam en de andere is van nature een rebel. De ene klapt dicht als tegen hem geschreeuwd wordt en de andere heeft genoeg veerkracht om een pakslaag te overstijgen.

De gezinssituatie waarin het slaan zich voordoet speelt in deze ook een rol. Is slaan meer regel dan uitzondering of wordt het als uiterste middel gebruikt wanneer herhaaldelijke uitleg, verbieden en straffen niet het gewenste resultaat hebben opgeleverd.

En wordt na de maatregel de reden dan wel oorzaak besproken met het kind. Of is slaan de manier waarop ouders reageren op ongehoorzaamheid, ontdekkingsdrang, het opzoeken van grenzen (bijvoorbeeld tegenspraak) en onhandigheid van het kind.

Juist omdat het effect van slaan als middel voor disciplinering binnen de opvoeding van zoveel factoren afhankelijk is, en gebleken is dat ouders de grens tussen pedagogisch verantwoord disciplineren en mishandeling niet kunnen bepalen, is het van belang om één norm te stellen. Kinderen fysiek te lijf gaan mag niet.

 Een gezegde dat ik steeds vaker hoor is: ‘Een enkeling is een drenkeling’. De ene keer wordt dit gezegd in    de context van het  bestuur van het land. Een burger die vindt dat corruptie hoogtij viert en wil dat hier  verandering in komt, maar zich niet bij machte   voelt hier verandering in te brengen.

 En de andere keer gaat het om een ouder, die het niet mee eens is dat hij voor inzage van de cijfers van zijn kind op het kantoor  van het schoolhoofd moet zijn, omdat de school zich op het standpunt stelt dat de schriften niet meer naar huis worden gestuurd. Dit omdat sommige leerlingen de schriften niet of slordig terug brengen.

In beide gevallen  hoor je zeggen: “Maar ja, wie ben ik om te denken dat ik dit zal veranderen.” Ik zeg dan: “‘Je bent een mens’ of ‘Je bent een ouder’ of ‘Je bent een buurtbewoner’ en ‘Je bent een burger’, dus je kan een verandering teweeg brengen.” Een ieder van ons vervult meerdere rollen. En binnen elk van onze rollen kunnen wij soms een gevoel van onmacht hebben.

Wij vergeten vaak dat wij op basis van elk van deze rollen, het recht en de mogelijkheid hebben om verandering te weeg te brengen. Er zijn nationaal en internationaal voldoende voorbeelden bekend waarbij ingrijpende veranderingen in de maatschappij en in het denken van mensen, zijn voortgekomen uit acties van een kritische, mondige, geïnformeerde en gedreven enkeling.

Kritisch, gedreven, assertief en mondig zijn, zijn eigenschappen die van onschatbare waarde zijn voor het functioneren van een persoon en in het verlengde hiervan, de ontwikkeling van een land. Maar dit zijn geen kwaliteiten die je automatisch ontwikkeld. Het vergt vaak ook een dosis moed om ze te vertalen naar actie. Vandaar dat het belangrijk is kinderen vanaf jongs af aan  te begeleiden.

Als ouder moet u zich ervan bewust zijn dat kinderen leren van het observeren en door te luisteren. Door de uitingen van onmacht te vermijden en juist ‘empowered’ gedrag te vertonen leert uw kind dat voor zichzelf of een ander opkomen, OK is. Zeg er dus wat van als de winkel waarin u en uw kind inkopen doen muziek op heeft staan met vulgaire taal en sta erop dat deze muziek wordt uitgezet.

Laat uw kind oefenen  in het geven van een mening  en opkomen voor zichzelf. Gaat u bijvoorbeeld eten in een restaurant en is het vlees dat u kind gekregen heeft niet goed doorbakken of te vettig, spoor uw kind dan aan dit zelf door te geven aan de bediening.

U weet het:‘Jong geleerd is oud gedaan”.

Behoed, door deze manier van empowerment, uw kind voor het onbehaaglijk gevoel van onmacht, dat u ongetwijfeld had (ik neem hier gevoeglijk aan dat u nu een bewuste keus heeft gemaakt om dit achterwege te laten), toen u ook zei: ‘Maar ja, wie ben ik?’

 Het was een en al bewegen en gezelligheid voor de kinderen die afgelopen zondag 3 april mee hebben  gedaan aan de sportdag   van  Kids Fun Day. Deze organisatie is een initiatief van jonge gepassioneerde    Surinamers en heeft tot doel kinderen positieve  vrijetijdsbesteding aan te bieden.

 Vanaf de tribune keken ouders toe hoe Sandrina Hunsel, Daudry Adipi en de andere teamleiders en vrijwilligers hun teams  enthousiast aanspoorden om hard te rennen,  waterballonnen op te vangen en door te sturen en twee aan twee de tennisbal tussen hun hoofdjes vastgeklemd naar de eindstreep te lopen. Ook de kleinsten in de groep werden consequent betrokken bij het geheel en als het even moest op de rug vervoerd naar de finish. Het was een geslaagde sportactiviteit.

Volgens de Verenigde Naties heeft sport de unieke eigenschap om mensen aan te trekken, hen bijeen te brengen en om te inspireren. Sport heeft alles te maken met participatie, betrokkenheid en burgerschap. Waarden zoals respect (ook voor de tegenstander), het naleven van regels, samenwerken en eerlijkheid worden, middels sport, aangeleerd en gestimuleerd.

De plannen van het ministerie van Sport en Jeugdzaken om multifunctionele buurtcentra op te zetten en zo te investeren in de buurtsport, zijn  dan ook welkom. Het spreekt voor zich dat voor het behalen van het rendement uit deze investering, ook geïnvesteerd zal moeten worden in de verenigingssport.

De Internationale Dag van Sport voor Ontwikkeling en Vrede, op 6 april, spoort ons allen, maar zeker overheden aan om gebruik te maken van de mogelijkheden die door de sport geboden worden om zowel de indivuduele burgers als het land in zijn geheel tot ontwikkeling te brengen. Om dit te doen moet ervoor worden  gezorgd  dat kinderen van jongs af aan een tak van sport beoefenen.

Regelmatig schoolbezoek van het kind, gekoppeld aan goede prestatie en het op regelmatige basis, beoefenen van een sport, als voorwaarde stellen voor het in aanmerking komen voor uitkeringen van de overheid, denk aan de Algemene Kinderbijslag, zou een stap in de goede richting kunnen zijn. Door deze maatregel, zou bij een grote groep van kinderen, een goede basis worden gelegd, om op te groeien tot gebalanceerde volwassenen.

Volgens mij is er nooit eerder zoveel aandacht besteed aan leiderschap dan in de afgelopen jaren. Een leider zijn is volgens het hedendaagse denken geen eigenschap waar je mee geboren hoeft te zijn, maar iets dat je kan leren en ontwikkelen. Dit is waarschijnlijk de reden dat wij de afgelopen jaren aan de slag zijn gegaan met het ontwikkelen van onze leiderschapskwaliteiten.

Ouders, trekken deze lijn, via de opvoeding, door naar hun kinderen. Dit doen ze door hun kinderen, vanaf de wieg, aan te praten dat ze leiders moeten zijn. Kinderen worden niet alleen klaargestoomd voor de leidersrol, die ze in de toekomst zouden moeten innemen. Nee, zij moeten zich nu reeds leiders tonen.

Zelf vind ik het een nobel streven. Iedere ouder wil per slot van rekening het beste voor zijn kind. Ik vraag mij wel af of wij, moderne ouders, het soms niet te ver doorvoeren en in hoeverre de pressie op het kind om zich als een leider te gedragen geoorloofd is. Voldoen aan de verwachting van de omgeving om een leiderschapsrol te vervullen vergt zelfs van ons als volwassenen, veel.

Ik denk dat ik mag aannemen dat wij met z’n allen graag zien dat onze kinderen zich ontwikkelen tot mensen, die leiderschap tonen in hun leven en hun leiderschapskwaliteiten toepassen in de verschillende rollen die zij vervullen. Respect hebben voor mensen, het vermogen hebben om je in te leven in de situatie van anderen, het vermogen hebben om anderen te motiveren en voor je te winnen, assertief en oplossingsgericht zijn, zijn enkele van deze kwaliteiten.

Het, in een vroeg stadium van de ontwikkeling, aanleren van deze vaardigheden heeft sowieso voordelen. Dit moet echter wel op een niveau dat past bij de ontwikkelingsfase van het kind. Jonge kinderen aansporen om te groeten als ze ergens binnenkomen en hen bijbrengen dat zij anderen, beleefd aan moeten spreken, is de aanzet tot het leren van een respectvolle houding.

Kinderen een vrucht meegeven voor de fruitmand bestemd voor een medeleerling draagt bij tot het ontwikkelen van het inlevingsvermogen van het kind. Door kinderen aan te sporen om in conflictsituaties te luisteren naar anderen, afspraken te maken of compromissen te sluiten, leren zij zich te richten op de anderen. Zij leren ook oplossingsgericht te zijn en het algemeen belang voorop te stellen. Dit alles leren zij, zonder extra druk, vanuit de ouders.

Kinderen moeten per slot van rekening, kinderen zijn. Ik ben hier laatst zelf weer aan herinnerd door een leerkracht met jarenlange ervaring. Zij zei: “Het zijn kinderen. Ze praten als volwassenen en gedragen zich als volwassenen, maar ze zijn nog geen volwassenen”. Daarom pleit ik vandaag voor een kindgerichte (autoritatieve / democratische) opvoeding, waarbij kinderen onder de liefdevolle begeleiding van hun ouders de tijd krijgen om zich te ontwikkelen naar hun volle potentie.

Wij ouders moeten niet vergeten dat grote leiders als, Martin Luther King jr. en Mahatma Ghandhi, maar ook de kleine leiders van onze tijd zoals Jessie Rees, Joshua Williams (CNN Young Heroes), en MalalaYousafzai (co-recipient of the 2014 Nobel Peace Prize), leiderschap niet door hun strot gedrukt hebben gekregen.

‘Jay, Truth or Dare’, zegt Tess, een achtjarig meisje tegen haar vriendje Jay, die ook acht jaar is. ‘Dare’, zegt Jay. ‘I dare you to, take my mom’s phone and walk with it to the exit’ zegt Tess in een perfect amerikaans accent. Tess, Jay en een ander vriendinnetje Trish, speelden ‘Truth or Dare’.

Dit was weliswaar niet de versie van het spel waarbij de dares veelal seksueel getint zijn of waarbij de ene partij de andere partij uitdaagt om alcohol te nuttigen of iets denigrerends te zeggen over of tegen een ander persoon, maar de essentie van het spel zat erin. Ik ga je uitdagen om iets te doen, waarvan ik weet dat het niet mag of kan en jij zal het doen om te bewijzen dat je erbij hoort, anders lig je uit de groep.

Peer pressure, wat te omschrijven is als de invloed of druk die leeftijdsgenoten (als individu of als groep) uitoefenen op elkaar, kan positief maar ook negatief zijn. Jongeren van de sportschool, die als groepscode hebben vastgesteld dat er in hun team niet gediscrimineerd wordt en elkaar daarop aanspreken, oefenen positieve peer pressure op elkaar uit.

Wanneer er wordt gesproken over peer pressure gaat het doorgaans om negatieve peer pressure. Tieners die elkaar subtiel, maar soms ook heel uitdrukkelijk, onder druk zetten om risicovol gedrag te vertonen is hier een voorbeeld van. Het gaat dan onder andere om het aansporen van leeftijdsgenoten om te roken, te beginnen met seks of om de nieuwste manier om high te worden, uit te proberen.

Geconfronteerd raken met invloeden van de omgeving, in dit opzicht leeftijdsgenoten, begint niet in de tiener jaren. Het begint volgens dr. Brett Laursen, professor in de psychologie, reeds vanaf het kind zich iets begint aan te trekken van wat leeftijdsgenoten van hem/ haar vinden. Dit proces van beïnvloeding gaat gedurende de ontwikkelingsfasen van het kind tot in de volwassenheid door.

‘Truth or Dare’ spelen is één van de manieren waarop, daaraan nu, gestalte wordt gegeven. Na dit gelezen te hebben zullen de meeste ouders zich afvragen wat zij kunnen doen om hun kinderen tegen peer pressure te beschermen. Ouders kunnen jammer genoeg niet voorkomen dat hun kinderen hiermee te maken krijgen. Wat volgens Laursen wel kan is dat ouders het kind helpen de beïnvloeding te herkennen.

Zij kunnen het kind ook helpen om te gaan met de invloed van anderen en hen helpen om uiteindelijk een keus te maken. Dit kan door het kind op een voor hem/haar begrijpelijke manier ervan bewust te maken dat de omgeving hun constant tracht te beïnvloeden, door bijvoorbeeld te insinueren wat zij moeten eten, welke kleren zij moeten aan trekken en hoe dat te doen en hoe zij zich moeten gedragen.

Met het kind in dialoog gaan over, waarom het zou kunnen kiezen voor het ene boven het andere, helpt het kind keuzes te maken en die te verdedigen. Dit kan door het kind te informeren of te laten informeren over de gevolgen van de keuzemogelijkheden. Laursen geeft verder aan dat gebleken is dat kinderen die een goede relatie met hun ouders hebben, minder de behoefte hebben om hun vrienden tevreden te stellen.

Wanneer uw kind de ‘Truth or Dare’- fase bereikt heeft, is voor u de tijd aangebroken om meer dan ooit te voren vragen te stellen aan, te luisteren naar en van gedachten wisselen met uw kind. Zo ontwikkelt uw kind de vaardigheden die nodig zijn om met beïnvloeding van leeftijdsgenoten om te gaan. Dit heeft meer kans van slagen wanneer u van te voren heeft geïnvesteerd in het opbouwen van een open relatie met uw kind.

 

Behalve vanwege de gebruikelijke berichten van vermissing van kinderen die in de dagbladen gepubliceerd worden, door het Korps Politie Suriname (KPS), werd mijn aandacht de afgelopen week getrokken door de publiciteit in verband met het tehuis Zout der Aarde. Wat mij uit de berichtgeving duidelijk werd, is dat er reeds geruime tijd bedenkingen bij autoriteiten moeten zijn geweest over het reilen en zeilen binnen deze instelling.

Bij mij rezen de volgende vragen: Hoe komt het dat er tot nu toe geen onderzoek is ingesteld? Wat gebeurt er met degene(n) die hebben nagelaten actie te ondernemen, als achteraf blijkt dat kinderen daardoor slachtoffer zijn gebleven terwijl ze juist bescherming behoren te krijgen? Kinderen in tehuizen en andersoortige opvanginstellingen, worden door de UN-lidlanden en dus ook in Suriname, gerekend tot ‘vulnerable children.’

Het gaat hier om kinderen die geacht worden de grootste kans te lopen om misbruik, geweld, uitbuiting en verwaarlozing, te ervaren. Er wordt dan ook van de overheid verwacht dat zij in haar kinderbeschermingsbeleid speciale aandacht schenkt aan deze groep. De praktijk wijst uit dat juist de bescherming van deze kinderen te wensen over laat.

Wat er binnen het huidig kinderbeschermingsbeleid wel en niet wordt ondernomen en wat nog moet gebeuren, daarmee zitten op overheidskantoren boekenkasten vol. Op zo veel momenten zijn hierover onderzoeken gedaan. De uitvoering ervan is echter steeds een “kunu” (vloek) geblekenWaar ligt dit aan? Politieke wil om de daad bij het woord te voegen.

Ja, ik wil niet cliché klinken, maar politiek is waar het ook in dit geval om draait. Politiek, wat te maken heeft met machtsrelaties en conflicten gerelateerd aan de processen en instituten van de overheid, bepaalt wat prioriteit geniet. Het gaat hier om de invloed die een persoon of groep kan hebben op de besluitvorming binnen de overheid. Het ter beschikking hebben van geld, status, invloedrijke relaties en het hebben van toegang tot potentiële kiezers, bepaalt de mate van invloed.

Let wel ik zeg niet dat er niets aan gedaan wordt om kinderen te beschermen. De eerlijkheid gebied mij te zeggen dat er wel iets gebeurt. Het goedkeuren van de wet Opvanginstellingen is hier een voorbeeld van. Maar hoelang het zal duren voordat deze wet in werking treedt en daadwerkelijk kinderen beschermt, is niet duidelijk. Wat nog belangrijker is, is het antwoord op de vraag: ‘Zal met zekerheid ervan uitgegaan kunnen worden dat, zonder aanzien des persoon, stappen zullen worden ondernomen tegen overtreders?’. Want pas wanneer dat gebeurt, zal er echt iets veranderen.

Volgens de laatste census maken kinderen rond 35% uit van de Surinaamse bevolking. Ondanks dit grote aantal kunnen zij geen gebruik maken van politiek, om hun eis dat men zich  committeert aan het garanderen van het welzijn van kinderen, bij beleidsmakers aan te wakkeren. Kinderen mogen namelijk niet stemmen, hebben geen geld of invloedrijke relaties en kunnen op zichzelf dus moeilijk politieke wil afdwingen. Dat kunnen ze althans niet in de meest kwetsbare fase in hun leven.

Een sterke, verenigde, zichtbare ‘civil society’ beweging die namens de kinderen actie eist en schendingen van rechten van kinderen aankaart, bestaat naar mijn mening nog niet. Ook het besef onder de burgers over het belang van het aanmelden van misstanden en over het recht dat zij hebben om te eisen dat naar aanleiding van hun melding actie wordt ondernomen, zou beter opgang moeten komen. Werk aan de winkel dus!

De meeste rechten van kinderen, denk maar aan het recht op bescherming, zijn in onze samenleving algemeen aanvaard. Dat is nog niet het geval met het recht op privacy. Ja, volgens het kinderrechten verdrag hebben kinderen recht op privacy.

Ik hoor nu al een aantal mensen zeggen, “niet in mijn huis”. En weer anderen zeggen: “Ja privacy, vandaar dat wij steeds vaker horen dat kinderen andere kinderen of zelfs volwassenen letsel toebrengen met voorwerpen die zij bij zich hebben. Wanneer ouders de schooltassen controleerden was het misschien niet zo ver gekomen.” De opvoeding vanuit de ouders en de kinderrechten beweging worden vaak als de boosdoeners aangemerkt. Kinderen hebben recht op privacy. Dit betekent bijvoorbeeld dat ouders niet zonder instemming van het kind diens post of dagboek mogen lezen.

Kloppen op de kamerdeur van het kind voordat de ouder binnentreedt, wanneer het kind een bepaalde leeftijd heeft bereikt, is een manier waarop ouders blijk kunnen geven het recht op privacy van hun kind te respecteren. Het komt nog wel voor dat ouders hun kinderen verbieden de slaapkamerdeur of die van de badkamer op slot te doen. Uit praatgroepen, die mijn collega in het sociaalnetwerk en kinderpsycholoog is, faciliteert, blijkt vaak dat hier niet het recht op privacy aan de orde is, maar  onzekerheid van de ouders over de eigen seksualiteit en dat van hun kinderen. Ouders willen met dit verbod voorkomen dat het kind tijdens onbewaakte momenten zal experimenteren met zijn of haar seksualiteit.

Wat mij betreft staat het respecteren van rechten van kinderen  niet los van een pedagogisch verantwoorde opvoeding.  Het stimuleren van zelfstandigheid, zelfredzaamheid en zelfvertrouwen bij kinderen, zou hierbij centraal moeten staan. De ouder faciliteert het proces van opgroeien door het kind ondersteuning te bieden, instructies te geven, controle uit te oefenen en grenzen te stellen. In dit proces leren ouders hun kinderen kennen en wordt wederzijds vertrouwen ontwikkeld. Ondanks dat kunnen kinderen zeker in hun tiener jaren, tegen beter weten in, stiekem de auto van de ouders rijden, een keer spijbelen of ander buitensporig gedrag vertonen. Maar als het goed is gaat ook deze fase in de groei van het kind voorbij.

Wat in mijn perceptie niet toe te schrijven is aan deze fase, noch aan de kinderrechtenbeweging is het vertonen van gewelddadig en crimineel gedrag. Kinderen vertonen dit gedrag niet uit het niets. Kinderen voeden zichzelf over het algemeen ook niet op. Dat er in deze gevallen sprake is van het langdurig uitblijven van of een onevenwichtig aanbod aan ondersteuning, instructies, controle en grenzen stellen door de ouders, staat voor mij als een paal boven water. Kinderrechten en in het verlengde hiervan het recht op privacy, ontneemt opvoeders niet hun verantwoordelijkheid om op te voeden, en waar nodig met de ondersteuning van  daarvoor in het leven geroepen (overheids)instanties.